In de veertigdagentijd worden we op onszelf teruggeworpen. Vragen als ‘hoe ga ik op weg naar Pasen?’ en ‘hoe speelt God daar een rol bij?’ komen op de voorgrond. Met daarbij misschien een sluimerend gevoel van tekortschieten dat de kop weer opsteekt. Zoals ikzelf geregeld een zwerver vlak bij Hoog Catharijne in Utrecht passeer, die zijn hand ophoudt, en waarop ik dan denk: de volgende keer moet ik wel wat contant geld meenemen. Of bij het wegkijken van de vele schrijnende noden die ons via de media bereiken.
Om hier positief op te reageren: de veertig dagen die aan Pasen voorafgaan, vormen een kans om deze ongemakkelijkheid en kwetsuren in ons hart enigszins te helen. Om de 'verharding' in onze ziel te verzachten. Een beetje zoals voorheen in vissersdorpen de wintertijd benut werd, als voorbereiding op het nieuwe seizoen, door de gescheurde netten te herstellen. Bij dit zogenaamde ‘boeten’ werden met behulp van een boetnaald de scheuren en kapotte mazen weer op orde gebracht. Veelal was dit vrouwenwerk dat gezamenlijk werd verricht.
Voor Franciscus vormde ‘boete doen’ een rode draad in heel zijn leven. Op de pleintjes en markten waar hij preekte riep hij hiertoe hartstochtelijk op, om de gebrokenheid in onze wereld weer heel te maken. Een echo van zijn appèl is terechtgekomen in één van de overgeleverde Wijsheidsspreuken die ik hier vrij heb vertaald:
Wijsheidsspreuk 23, 3
Trouw en verstandig is de dienaar
die bij al zijn fouten
niet talmt om boete te doen;
innerlijk door berouw
en uiterlijk door er voor uit te komen
en tevredenheid te bewerkstelligen.
Franciscus roept ons op om ons niet te schamen voor waar wij in tekortschieten, maar er in het hier en nu voor uit te komen. Bijvoorbeeld door dit in een vertrouwde sfeer met anderen te bespreken. Meer nog, om initiatief te nemen om het beschadigde vertrouwen in woord en daad te boeten (herstellen) en vanuit die houding de toekomst tegemoet te gaan.
Als we deze tekst nauwkeurig lezen, dan valt op dat Franciscus hier spreekt over de dienaar die in het evangelie naar Mattheüs (24,45) door ‘de heer van het huis is aangesteld om tijdens zijn afwezigheid het huispersoneel op tijd eten te geven’. In dit verhaal spoort Jezus ons in een gelijkenis aan om als dienaar niet te talmen met dit werk, want je weet nooit wanneer die heer des huizes weer thuiskomt en een oordeel over je zal vellen. Er is dus een urgentie om te boeten en ons leven weer meer heel te maken.
Franciscus zat vol van dit verlangen naar heelwording. Wat ik eerlijk gezegd erg aanstekelijk vind. Om veertig dagen lang, als proef, te kijken wat er gebeurt als ik mijn hart iets meer openstel. Alert onderzoekend waar ik in deze wereld iets kan ‘repareren’ en verbeteren. Niet als een solo opdracht, maar zo mogelijk in gezamenlijkheid, al doende, en verbonden met stilte en gebed.
Om daarna, als het Pasen wordt, wellicht deze ingeslagen weg te vervolgen. Trouw en verstandig, om niet te zeggen: gelukkig!